fbpx

Carmens blog: De oorlog van mijn grootouders

Carmen Reid deed heel veel onderzoek voor het schrijven van Codenaam Coco. Hierover schreef ze enkele blogs, die wij voor jullie vertaald hebben en hier zullen publiceren. Deze keer vertelt ze over haar Duitse en Britse grootouders, die elk aan een andere kant van de oorlog meestreden.

Ik was nog vrij jong toen ik besefte dat ik grootouders had die in de Tweede Wereldoorlog aan verschillende kanten stonden.
Ik groeide op in Groot-Brittannië, waar we onze rol in de oorlog koesteren. Het was ons ‘hoogtepunt’. We hebben oneindig veel boeken en films waarin de Britse heldenrol en de stiff upper lip – die ons geholpenheeft om onder redelijk onmogelijke omstandigheden door te gaan – bejubeld worden.

Ik kon echter nooit genieten van dit gevoel – dat in Groot-Brittannië nog steeds heerst – omdat mijn moeder Duits is en mijn opa een Duitse soldaat was. Ik bracht mijn zomervakanties door in de omgeving van Frankfurt en Bonn, samen met mijn Duitse tantes, neven en nichten, en mijn opa. Duits werd mijn tweede moedertaal en aan het eind van de zomer droomde ik zelfs in het Duits.

Vergeleken bij de kleine kustplaats aan de oostkust van Schotland was Duitsland zo levendig en modern. We gingen naar de kermis waar ik geroosterde amandelen en worstenbroodjes at, naar de zonnige heuvels van de Moezel, de wijnstreek waar mijn moeder opgroeide, en mijn dierbaarste jeugdherinneringen liggen in Duitsland.
Toen ik er dus achter kwam wat zich daar tijdens de Tweede Wereldoorlog en – nog erger – tijdens de Holocaust had afgespeeld, was het niet alleen schokkend, zoals het voor een gewoon kind uit Groot-Brittannië is. Voor mij was het als een verschrikkelijk verraad. Waarom had niemand die ik kende me hierover verteld?

De keer daarop dat ik naar Duitsland ging, keek ik naar de oudere mensen die oud genoeg waren om de oorlog te hebben meegemaakt en vroeg me af: Wat heeft hij gedaan? Was hij een kampbewaker? Heeft hij Joden opgepakt of hen ter dood veroordeeld? Ik kon het bijna niet verdragen.

Mijn moeder wist vrij weinig over de oorlog. Zij was vijftien jaar lang in Duitsland naar school gegaan en er was nooit iets over verteld. Niemand had destijds enig idee hoe je kinderen moest uitleggen wat er was gebeurd en wat sommigen van hun ouders hadden gedaan. Dat is nu anders. Ieder Duits schoolkind bezoekt een keer een concentratiekampmuseum en er is een oprecht gevoel van schaamte en schuld over het verleden.

Ik ben nog steeds ontzettend geïnteresseerd in beide wereldoorlogen. Ik wil nog steeds weten hoe het was om het mee te maken. Degene die me uiteindelijk over die periode vertelde, was mijn Duitse opa. Toen ik hem leerde kennen was hij een heel vitale zeventiger. Hij rookte pijp, had heel veel boeken en droeg altijd mooie kleren. Hij was in zijn leven van een boerendorp naar de stad verhuisd en woonde sinds zijn pensioen in Frankfurt. We maakten samen lange fietstochten door de mooie bossen buiten de stad, waar ik voor het eerst libellen zag, en soms vertelde hij me over de oorlogen, want hij had zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog overleefd.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog zat hij nog op de kleuterschool. Hij kon zich herinneren dat hij de hele dag wollen lappen moest uithalen, zodat de wol opnieuw gebruikt kon worden voor sokken en sjaals voor de soldaten. Hij vertelde over de verschrikkelijke tijd na de oorlog, toen niemand geld had. Mensen vervoerden hun geld echt met een kruiwagen omdat het zo weinig waard was. Door wat ze hadden meegemaakt was zowel mijn opa als zijn tweede vrouw altijd zuinig: ze gooiden nooit eten weg en kochten alleen iets als het was afgeprijsd.

Toen ik ouder was had ik spijt dat ik mijn opa niet meer over de oorlog had gevraagd voordat hij alzheimer kreeg, want daarna kon hij niet veel meer vertellen. Wat hij me over de Tweede Wereldoorlog had verteld was dat hij journalist had willen worden, maar dat hij in het leger moest toen de oorlog uitbrak.
Als hij over zijn oorlogservaringen sprak, dan ging dat meestal over de helse situatie aan het oostfront. Hij en zijn kameraden moesten onder onmogelijke omstandigheden tegen de Russen vechten. Het was zo koud dat soldaten hun vingers en tenen verloren hun wapens weigerden en – ik was altijd dol op de details – het snot in hun neuzen bevroor. Hij heeft zeker mensen vermoord en als ik de foto bekijk waarop hij in Duits uniform poseert, lopen de rillingen nog altijd over mijn rug.
Mijn opa werd neergeschoten en raakte zwaargewond, maar het lukte hem om naar een ziekenhuis in Duitsland te gaan. Dit redde zijn leven; hij hoefde niet meer terug naar het Russische front.

Ik heb mijn Duitse oma nooit gekend, omdat zij overleed toen ik nog een baby was. Ze kwam echter uit een boerengezin dat wat land had en een kleine wijngaard. Haar broer stierf aan een blindedarmontsteking toen hij nog een tiener was. Haar vader ging niet lang daarna dood; zij en haar moeder runden de hele boel. Mijn eigen moeder vertelde me altijd verhalen over haar strenge oma. Hoe ze elke zaterdag voor zonsopgang opstond om het brood voor de hele week te bakken, hoe de meisjes elke dag hun witte schorten moesten wassen en strijken zodat ze er piekfijn uitzagen. Als je je avondeten niet opat, kreeg je het de volgende ochtend koud op je bord, als ontbijt! Zelfs tot in de jaren vijftig leidde mijn moeder een leven dat al eeuwenlang hetzelfde was geweest, en dat leven was erbarmelijk hard. Bij zonsopgang moest ze opstaan om de koeien te melken, melk te koken voor het ontbijt en dan om zes uur ’s ochtends naar de katholieke mis. Ze moest kilometers lopen om naar school te gaan en daarna hielp ze op het land. Ik heb foto’s waarop ze als achtjarige meewerkt om met een hooivork een hooiberg te maken. Ze plukte groenten en bracht die met een kruiwagen weg, ze hielp in de herfst mee om de druiven te oogsten, en toch deed ze nog een paar uur per dag huiswerk en leerde ze Latijn en had ze pianoles, en de volgende ochtend opnieuw vroeg op. Mijn moeder heeft nog steeds een arbeidsethos dat hoger is dan hoog.

Alle Duisters die ik ken werken hard voor wat ze hebben. Ze leven bescheiden en er bestaat geen klassensysteem en mensen menen niet dat ze meer recht op iets hebben dan anderen. De Eerste Wereldoorlog, de Tweede Wereldoorlog, het nazisme en het verliezen van beide oorlogen maakten een einde aan dat laatste.

Mijn Britse grootouders hadden tijdens de oorlog meer geluk. Opa was boer. Hij had twee grote boerderijen en een groep mensen in dienst aan wie hij leiding moest geven. Hij hoefde niet naar het front, want ook het verhogen van de voedselproductie was een nationale plicht. De Duitse bommenwerpers kwamen niet in de buurt van de oostkust van Schotland en zelfs van de voedselschaarste hadden mijn grootouders weinig last: ze verbouwden zelf graan en groenten en hadden hun eigen vee. Waarschijnlijk ruilden ze hun producten voor vis, melk en boter. Er was dus genoeg te eten voor het jonge gezin. Natuurlijk droegen ze wel hun steentje bij. Opa was lid van de Home Guard – een verdedigingsleger van vrijwilligers dat merendeels bestond uit mannen die te oud waren om naar het front te gaan, maar ook uit mannen die vanwege hun beroep niet weg konden. Waarschijnlijk controleerde hij ’s nachts of iedereen zich aan de verduisteringsplicht hield en stond hij aan de kust op de uitkijk of de vijand niet over het water naderde. Mijn oma, een vrouw van één meter vijftig en een en al vrolijkheid, bestuurde de ambulances in het district.
Hoewel ze veel vrienden en familie verloren, waren mijn opa en oma opgewekte mensen, die graag over de oorlogsjaren spraken alsof het een leuke periode was geweest. Op de boerderijen werkten interessante krijgsgevangenen en er kwamen altijd RAF-officieren eten.

Omdat de beide kanten van de oorlog deel zijn van mijn familiegeschiedenis, ben ik altijd gefascineerd geweest door mensen die die periode hebben meegemaakt, misschien vooral op het Europese vasteland. Binnen afzienbare tijd zullen alle grootouders die in deze belangrijke oorlog hebben gevochten, zijn overleden. Wij moeten hun verhalen en ervaringen bewaren. Jongeren moeten weten dat er een tijd is geweest dat je achttiende verjaardag niet betekende dat je mag drinken en naar de stembus mag gaan; het betekende dat je oud genoeg was om te vechten, om mensen te vermoorden en voor je vaderland te sterven.

Toen ik erachter kwam dat er vijftienjarige meisjes waren die zich aansloten bij het verzet, die hielpen om bruggen op te blazen en nazisoldaten te vermoorden, wist ik dat ik daar meer over wilde weten en dat ik die verhalen tot leven wilde brengen. Ik hoop oprecht dat jullie ook meer over deze bizarre tijd te weten willen komen. Het verhaal over Coco is gebaseerd op echte mensen, echte gebeurtenissen en echte plaatsen; maar het verhaal zelf en alle personages die erin voorkomen zijn fictief.

  • Myrthe
  • 06 sep, 2014
  • geen reacties

Deel je opmerking

Deze website gebruikt cookies om de beste online ervaring te creëren. Ga akkoord door op de 'Accepteer' knop te klikken.